Bij elke chip of pitch heeft Johannes Veerman drie punten waar hij zich vooral op focust:
1. De driehoek die de armen vormen in de set-up blijft intact gedurende de slag.
2. Op impact moet de achterkant van de grip richting zijn linkerbeen wijzen.
3. Het lichaam komt omhoog en draait mooi door naar het doel.
Veerman, die een Nederlandse vader en een Indonesische moeder heeft, past voor verschillende afstanden naar de hole zo min mogelijk aan in een heel handig systeem dat hij heeft ontwikkeld.
Voor de backswing gaat hij uit van drie posities:
1. Tot kniehoogte.
2. Tussen knie en riem.
3. Tot riemhoogte.
Veerman weet precies hoe ver de bal vliegt met die verschillende lengtes in de backswing met zijn wedges. Met de pitchingwedge tot kniehoogte gaat de bal twintig meter. Moet hij vijftien meter overbruggen, dan neemt hij de club in de backswing weg tot iets onder de knie. Met dat systeem kan hij heel makkelijk variëren in afstanden zonder verdere aanpassingen te doen.
Bij amateurs ziet Veerman vaak twee fouten: ze vallen naar achteren en de armen buigen, waardoor de driehoek verdwijnt. Wat vooral ook belangrijk is om goed te chippen en te pitchen? Een mooi ritme.