Tips

Ben jij ook zo goed op de drivingrange?

“Op de drivingrange sla ik wereldballen, maar in de baan gaat het voor geen meter!” Herken je dat? Acht redenen waarom je op de range een veel betere golfer bent dan in de baan en een paar tips om dat verschil wat te verkleinen.

1. De drivingrange is geen golfbaan

Golf is, in heel veel opzichten, een prachtige maar ook bijzondere sport. Voetballers trainen op het voetbalveld, zwemmers in het zwembad, tennissers op de tennisbaan, hockeyers op het hockeyveld en golfers… die trainen niet op de baan maar op een drivingrange (of op de oefenfaciliteit voor het korte spel). Aan je spel werken op de drivingrange is natuurlijk hartstikke goed en nuttig, maar scoren leer je toch echt in de baan. Ballen slaan op de range is eigenlijk een andere ‘sport’ dan ballen slaan in de baan met een scorekaart in je achterzak. Heb je de kans, train dan meer in de baan en boek ook eens een baanles bij een pro. 

2. In de baan móet het 

Op de drivingrange maakt een slecht geslagen bal niet uit, je pakt gewoon de volgende uit het mandje. In de baan telt iedere slag. Op de drivingrange kun je heerlijk ontspannen swingen, het resultaat doet er niet zo veel toe, in de baan, oog in oog met een waterhindernis voel je de druk: die bal móet goed zijn want anders… De range is daarom perfect om je swing constanter te krijgen of aan een technische verandering te werken, maar het is niet reëel te denken dat je je goede spel op de range zomaar even mee kunt nemen in de baan, want het zijn echt twee verschillende werelden. Wees daarvan bewust, dat scheelt waarschijnlijk al een hoop ‘waarom-kan-ik-mijn-goede-spel-op-de-range-niet-meenemen-in-de-baan-ergernis’.

3. 25 x een ijzer 7…

Wees eerlijk, wat doe jij als je ballen slaat op de drivingrange? De kans is groot dat je een flinke hoeveelheid ballen achter elkaar slaat met dezelfde club naar exact hetzelfde doel. Hoe vaak sla je in de baan twee keer achter elkaar met dezelfde club naar hetzelfde doel? Hopelijk niet heel vaak, want dan heb je of een bal out-of bounds geslagen of een airshot gemaakt… Als je een bepaalde swingbeweging traint is het prima om 25 ballen achter elkaar te slaan met een ijzer 7 maar om beter te scoren in de baan is het verstandig de training op de range echt effectief te maken. Dat kan door de baansituatie na te bootsen:

  • pak bij iedere bal een andere club;
  • sla steeds naar een andere afstand en een ander doel; 
  • lijn goed op;
  • doe voor iedere slag je vaste pre-shot-routine zoals je dat in de baan (hopelijk) ook doet;
  • ben je al wat meer gevorderd, varieer de balvluchten;
  • en vergeet ook de kortere slagen niet!

Dit is een leuke manier om de wedstrijdsituatie op de drivingrange te simuleren: speel de holes van je baan. Sla je op hole 1 meestal houten 3 en een ijzer 8, speel die hole dan ‘in gedachten’ op de range met die clubs en zo alle 18 (of 9) holes. Train op de range zoals je de baan speelt en je scores zullen verbeteren. 

4. Matten vergevingsgezinder

Weinig golfbanen hebben de luxe van drivingranges waar je ballen van gras kunt slaan (een grasrange is onderhoudsintensief, dus duurder en vraagt vaak ook om extra ruimte). Ballen slaan van rubberen matten is anders dan van gras. Op de rubberen matten kom je met een vet geraakte bal vaak nog heel aardig weg, als je op gras met je ijzers eerst de grond raakt en daarna pas de bal, dan vliegt de bal echt een stuk minder mooi. Matten zijn vergevingsgezinder en dat kan een vals beeld geven van de kwaliteit van je balcontact. 

5. Altijd een perfecte ligging

Op de drivingrange heb je altijd een mooie, vlakke ligging. Dat is in de baan heel anders. Het gras kan heel kort gemaaid zijn, waardoor golfers van zo’n kale ligging de neiging krijgen de bal de lucht in te helpen. Een lastige up-, down- of sidehill-ligging (wat moest ik ook alweer aanpassen voor zo’n slag?) kom je op de range ook niet tegen. Er zijn gelukkig wel banen die bij de range een mat hebben met schuine liggingen. Je slaat dan nog steeds niet van gras, maar je ziet in ieder geval wel wat er met het contact en de vlucht gebeurt als de bal een heel stuk lager of hoger ligt dan je voeten. 

6. Een lekker ritme 

Op de drivingrange sla je bal na bal na bal. De spieren worden lekker warm, het lichaam  steeds soepeler en de kans is groot dat je in een lekker ritme komt. En ritme is heel belangrijk in de golfswing. Op de baan kan het zomaar voorkomen dat je na je afslag een paar minuten – medespelers slaan na jou af, bal tussen de bomen, zoeken – geen club aanraakt. Vervolgens ben jij pas weer aan de beurt om je bal te slaan. Hopelijk kun je dat fijne swingritme van de range dan ook vinden.

7. Minder denken aan techniek

Als je op de range bal na bal na bal slaat, is de kans groot dat je op een gegeven moment niet meer aan de techniek denkt, maar heerlijk vrijuit slaat. In de baan heb je veel meer tijd tussen de slagen en dat in combinatie met het gevoel dat het resultaat goed móet zijn, leidt vaak tot denken aan de techniek en verkrampen. Nog een verschil: na een slechte bal op de range pak je snel een andere, een misser in de baan blijft mentaal veel meer ‘hangen’ want de consequentie is groter en het duurt langer voor je een volgende bal kunt slaan.

8. Afstand niet zo belangrijk

Op de drivingranges staan vaak afstandsborden, maar hoe ver je de bal exact slaat op de range is niet zo heel belangrijk, in de buurt van het 150 meter bord is ook wel prima (de kwaliteit van de rangeballen geeft trouwens soms ook heel wisselende afstanden). In de baan willen we natuurlijk precisiewerk, dan is ‘ongeveer’ niet goed genoeg. Vijf meter korter of verder kan het verschil maken tussen de bal net over het water slaan of er ‘splash’ in. Zorg daarom dat je de exacte afstanden weet die je met elke club slaat. Een sessie met een Trackman (of een vergelijkbaar apparaat dat alles nauwkeurig meet) is niet alleen leuk maar vooral heel leerzaam en nuttig. Dat kan prima op de drivingrange maar dan natuurlijk wel met goede ballen die je ook in de baan gebruikt. 

Lees meer over
Golftips