Een niblick van Albert J. Ife. Hij was over de hele wereld beroemd als clubmaker.
Een brassie van Bertram Dunn. Na een samenwerking met zijn vader John Dunn heeft Bertram op Noordwijk zeer mooie clubs gemaakt.
Een ijzer-4 van Charles Warren. Hij heeft nooit in Nederland gewerkt maar veel clubs verkocht op de Domburgsche.
Een putter van D. Lloyd. Hij leerde het vak van Dunn in Noordwijk.
Een spoon van Douglas Monk. Zijn passie was clubmaking, hij bleef liever in zijn werkplaats dan dat hij les gaf op de baan.
Een mashie niblick van Edward J Hill, een relatief onervaren clubmaker.
Een brassie van E.N. Kettley. Hij heeft mooie houten clubs gemaakt in kleine aantallen.
Een brassie van Frank Spalding. hij heeft prachtige houten clubs gemaakt met een stempel van de Twentsche.
Een putter van Henry Burrows. Zijn clubs zijn zeldzaam, hij had een voorliefde voor baanarchitectuur en -onderhoud.
Een ijzer-2 van Wim van Dijk, ongeveer uit 1935. Hij heeft alleen clubs met stalen shafts gemaakt.
Een mashie niblick van Jan Blaansjaar. Zijn clubs zijn zeldzaam en hij heeft er waarschijnlijk niet veel gemaakt.
Een ijzer van John Duncan Dunn, circa 1893
John Dunn And Sons ( Bertrum)
Jacob Oosterveer was vooral bekend als speler maar heeft ook clubs gemaakt.
Een niblick van Jos van Dijk. Al zijn ijzers kwamen van William Gibson, hij heeft waarschijnlijk de fabriek van Gibson bezocht toen hij aan The Open in St Andrews meedeed in 1927.
Een niblick van Bert Lambert. Hij heeft heel veel clubs met een stalen shaft gemaakt, in 1938 importeerde hij 250 stalen shafts per maand!
Een ijzer-2 van Leslie King. Hij gebruikte verschillende clubstempels, zoals Zandvoort GC en Kennemer GC.
Topspeler Piet Witte had het vak geleerd van Douglas Monk als assistent van Monk op de Hilversumsche.
W.G.L. Raglass heeft het vak geleerd van Piet Witte.
Een mashie van William Woodward. Hij maakte clubs voor spelers voordat de Eindhovensche open ging.

De geschiedenis van Nederlandse clubmakers

26 december 2015 Redactie GOLF.NL
Professional Iain Forrester is een kenner van de geschiedenis van golfclubs. In dit artikel vertelt hij over het uitgestorven ambacht clubmaking en bespreekt hij alle pro's die in Nederland clubs gemaakt hebben.

Kijk in de galerie hierboven naar foto's van verschillende clubs.

Nederlandse Clubmakers in de periode 1890 tot 1939

Het werk van een golfprofessional in de beginperiode van golf in Nederland was veelzijdig. Men verwachtte dat hij naast het lesgeven aan de leden ook andere diensten zou leveren, zoals het spelen met leden, het organiseren van wedstrijden, het bijhouden van handicaps en werk als caddiemaster.

Een van de belangrijkste activiteiten was het maken van golfclubs voor de leden van de club. Het maken en het leveren van golfclubs was lang niet zo makkelijk als vandaag de dag. Alles werd met de hand gemaakt, er zat uren werk in elke club. Een bekwaam clubmaker was een echte ambachtsman en zijn bekwaamheid kon een grote invloed hebben op het spelplezier van zijn klanten.

Het maken van een golfclub was een lang proces dat begon met het maken van de kop van de club. Een professional bestelde de ijzeren koppen direct bij een Schotse fabrikant en bij de bestelling gaf hij het gewenste gewicht van de kop aan. Daarnaast kocht hij bij diezelfde fabrikant ook een stempel met zijn naam en de naam van de baan waar hij werkte, om zo de koppen te kunnen markeren.

Bij houten clubs deed de professional de fabricatie zelf, beginnend met een blok persimmon-hout. Met verschillende raspen gaf hij een vorm aan de kop zodat die goed zou passen bij de speler die de club besteld had. Clubs werden bijna altijd gemaakt op bestelling van een specifieke klant en bijna nooit gemaakt voor een winkelvoorraad.
De clubmaker kon het gewicht bepalen door lood in de kop te smelten. Na het maken van de kop werd de club voorzien van een hickory shaft (hickory was een bijzonder sterke en veerkrachtige houtsoort).*

Als de club helemaal klaar was verkocht de professional de stok aan zijn klant. Er was echter geen sprake van een vrije handel: het bestuur van de golfclub legde contractueel vast wat de professional mocht vragen voor een club.

Rond 1900

In Nederland zijn er verschillende professionals geweest die het ambacht van clubs maken beheersten. Meestal leerden ze het als assistent van hun eigen professional.

Voor 1900 waren er maar twee professionals actief in Nederland. De allereerste clubmaker van Nederland was John Duncan Dunn, een derde generatie Schotse clubmaker die een eigen fabriek had in Bournemouth (Engeland).

Dunn heeft geen clubs in Nederland gemaakt, maar liet ze overkomen uit Engeland om te verkopen aan de eerste golfers van Nederland, in de periode 1890-1895. Zijn clubs waren van de hoogste kwaliteit en waren ontworpen om gebruikt te worden met de oude guttie golfbal (een rubberachtig product van guttaperchabomen). Zijn clubs zijn te herkennen aan een dik handvat, koppen zonder groeven, en de houten waren “longnose” clubs met een “scare splice”.

Zijn opvolger op de Haagsche had ook de naam Dunn: John Dunn. Hij was actief op de Haagsche van 1895 tot 1910.

John Dunn was geen ervaren golfprofessional en moet de basisvaardigheden hebben geleerd van zijn naamgenoot. Dunns clubs zijn zeldzaam en maar één of twee zijn gedateerd in de 19de eeuw. Daarna, tot circa 1910, heeft hij clubs gemaakt onder de naam Dunn&Son.

Clubmakers in Nederland

In het begin van de 20ste eeuw kwam golf in Nederland langzaam op gang. Het aantal golfprofessionals in Nederland groeide daarmee ook.

Hier volgt een chronologische lijst van golfprofessionals die clubs hebben gemaakt onder hun eigen naam.

  • Albert J. Ife, (Haagsche 1903-07, Doornsche 1907-10, Haagsche 1910-1927). Albert was over de hele wereld beroemd als clubmaker, in Nederland heeft hij sublieme “longnose” putters gemaakt en zijn clubs zijn voorzien van de stempel “AJ IFE”.
  • Bertram Dunn (Oranje GC 1903-10 en Noordwijk 1914-1955). Na de samenwerking met zijn vader John Dunn heeft Bertram op Noordwijk (tot 1930) zeer mooie clubs gemaakt. Eerst met hickory shafts en later ook met stalen shafts.
  • Henry Burrows (Doornsche 1910-17 en Voorne). De clubs van Henry Burrows zijn verassend zeldzaam. Burrows had een voorliefde voor baanarchitectuur en baanonderhoud, waarschijnlijk heeft hij om die reden maar weinig clubs gemaakt.
  • Edward J Hill (Kennemer 1910-12, Hilversumsche 1913-23) was een relatief onervaren clubmaker, er zijn weinig van zijn ijzers opgedoken.
  • Jacob Oosterveer (Kennemer 1917-26, Toxandria 1927-32) was vooral bekend als speler maar heeft het clubmaken van Ife geleerd en zijn clubs zijn van goede kwaliteit. Hij is vaak van golfbaan veranderd en gebruikt daarom zijn naam met Holland als stempel.
  • E N Kettley (Kennemer) verbleef maar kort in Nederland omdat hij in 1917 werd opgeroepen door het Britse Leger. Hij heeft mooie houten clubs gemaakt in kleine aantallen.
  • Frank Spalding (Twentsche 1926-34). De eerste clubs die hij verkocht waren van Cochranes met de stempel Spalding’s Special. Daarna heeft hij prachtige houten clubs gemaakt met de stempel van de Twentsche.
  • Leslie King (Kennemer 1927-47). Er zijn veel clubs van hem gevonden. Hij liet bij verschillende fabrikanten ijzeren koppen maken. Hij gebruikte ook verschillende clubstempels, onder meer Zandvoort GC en Kennemer GC.
  • Jos van Dijk (De Pan 1917-58). Ondanks zijn lange verblijf op de Pan zijn Van Dijks clubs relatief zeldzaam. Bijna al zijn ijzers kwamen van William Gibson (Kinghorn). Hij heeft waarschijnlijk de fabriek van Gibson bezocht toen hij aan The Open in St Andrews meedeed in 1927.
  • Bert Lambert (Haagsche 1927-40). Zijn clubs met een hickory shaft zijn zeldzaam maar hij heeft heel veel clubs met een stalen shaft gemaakt. In 1938 importeerde hij 250 stalen shafts per maand!
  • Charles Warren (Knokke, België, 1910-27). Ondanks dat E.C. Warren nooit in Nederland heeft gewerkt, heeft hij veel clubs verkocht op de Domburgsche (hij was ook ontwerper van de linksbaan). Alle clubs kregen het stempel van Knokke.
  • William Woodward (Eindhoven 1928-34) heeft clubs gemaakt voor de spelers voordat de golfbaan van de Eindhovensche Golf in 1930 open ging. Zijn houten zijn prachtig, daarnaast kocht hij veel ijzers van Jack White van Sunningdale.
  • Piet Witte(Dommel 1929- 62), een van de beste Nederlandse golfers ooit, leerde het vak van Douglas Monk toen hij assistent van Monk was op de Hilversumsche. Witte heeft verassend weinig clubs gemaakt en allemaal in de periode van stalen shafts. Hij verkocht zijn clubs op Eindhoven, Toxandria en de Dommel.
  • W.G.L. Raglass (Toxandria 1932-40) heeft het vak geleerd van Piet Witte en heeft, tot de Tweede Wereldoorlog clubs gemaakt op Toxandria.
  • Douglas Monk (Hilversumsche 1923-39 en 1948- 57). Clubs maken was zijn passie, hij was liever in zijn werkplaats dan dat hij les gaf op de baan. Monk heeft veel clubs gemaakt en die waren van de hoogste kwaliteit. Na 1935 maakte hij alleen clubs met stalen shafts.
  • Gerard de Wit (Haagsche) was met Witte een van de beste Nederlandse wedstrijdspelers. Hij had weinig tijd om clubs te maken maar als assistent op de Haagsche had hij wel het vak geleerd. Er bestaan promotionele clubs met zijn naam.
  • Wim van Dijk (Amsterdam 1934-54) heeft alleen clubs met stalen shafts gemaakt.
  • D. Lloyd (Rotterdamsche GC 1934-36) heeft clubmaking geleerd van Dunn in Noordwijk; hij heeft clubs gemaakt met stalen shafts.
  • Jan Blaansjaar (Hattemse, 1930-60). heeft waarschijnlijk niet veel clubs gemaakt.

Heb je bijzondere clubs? Laat het weten

Kenners en liefhebbers bezitten zo’n 100 hickory clubs met een stempel en naam van een Nederlandse golfprofessional, maar soms duiken er op rommelmarkten nog nieuwe exemplaren op.

De NGF Commissie Erfgoed heeft altijd belangstelling om bijzondere clubs over te nemen. Als je een oude club hebt en je wilt hier meer over wil weten, aarzel dan niet om bij de Commissie om meer informatie te vragen

Namens de NGF Commissie Erfgoed, Iain Forrester, info@hickoryclubs.eu


*De professional kon de torsie van de shaft bepalen door naar de groeiringen te kijken. Flex kon worden aangepast door de taper van de shaft te veranderen en het kick point kon worden bepaald door het dunste stuk van de shaft hoger of lager te maken.