Amen Corner, hole 12 van Augusta

Waarom water in de baan?

Spektakel verzekerd op Amen Corner, hole 12 van Augusta, dankzij het water.
Beeld: Getty Images
Onder de obstakels en hindernissen op golfbanen is één categorie die buitensporig veel angst opwekt: water. Vroeger was het een zeldzaamheid maar tegenwoordig moet een golfer geregeld een vijver of slootje overmeesteren. Is de weegschaal naar de verkeerde kant doorgeslagen?
Water veroorzaakt een neurose bij golfers”, zei de grote golfschrijver Peter Dobereiner. “Alleen al bij de gedachte aan deze onschadelijke stof worden ze beroofd van hun normale vermogen om rationeel te denken, veranderen hun benen in gelatine en raken hun armen verlamd.” We hebben daar allemaal in meer of mindere mate last van. En het zal ook niet veranderen; we moeten er beter mee leren omgaan, want water op golfbanen is niet weg te denken. Hoe anders was dat vroeger? De eerste banen lagen op onvruchtbare grond dichtbij zee. De hindernissen bestonden uit lage struikjes en zanderige gebieden. Die geërodeerde zandhoekjes, vaak gevormd door schapen die schuilden voor de wind, werden in de loop der tijd gemanicuurd en heten nu bunkers. Water was er nauwelijks, hooguit een stroompje van het binnenland naar de zee. Denk aan de Swilcan Burn op de Old Course in St Andrews of de Barry Burn op Carnoustie.

Op zandgrond

Toen de golfsport aan het begin van de twintigste eeuw populair werd, ontstond er vraag naar meer golfbanen. De initiatiefnemers konden toen nog kiezen uit mooie, glooiende terreinen die zich goed leenden voor interessante golfholes. Het waren vrijwel altijd gebieden bij zee of zanderige natuurgebieden in het binnenland (zand is immers de ideale ondergrond voor golf want hier zakt het regenwater meteen weg). Enkele voorbeelden in Nederland: de Rosendaelsche (1906, aangelegd in een gebied met heide en zand), de Domburgsche (1914, in de duinen) en de eerste niet meer bestaande baan van de Noordwijkse (1915, in de duinen). Op deze zandlocaties werden artificiële bunkers gebouwd. Water was er meestal niet en er werd in het algemeen ook geen water gecreëerd. In de visie van de vroege golfbaanarchitecten bestonden hindernissen uit bunkers, duinstruikjes en heide. Bomen? Rondom de holes, maar niet erop. Als er al water op een locatie was, dan gebruikten ontwerpers het meestal als decor, niet als hindernis. Denk aan het Galgenven op de Eindhovensche Golf (1930). Dit ven is echter niet in spel en dat was een bewuste keuze van de golfbaanarchitect; er wordt in de zomer gezwommen, het is geen golfballenbegraafplaats.

Fataal

Water als hindernis op één of twee holes, dat was tot de Tweede Wereldoorlog niet ongewoon, maar water mocht niet te vaak in spel komen. De motivatie was eenvoudig: een bal in een stroompje of meertje is niet leuk voor het spel – je raakt je bal kwijt – en ook niet voor je score. Zoals golflegende Bobby Jones (1902-1971) het verwoordde: “Het verschil tussen een bunker en water is het verschil tussen een auto- en vliegtuigongeluk. Bij dat laatste is het resultaat fataal, bij een auto-ongeluk heb je kans er weer bovenop te komen.”

Water maken, grond winnen

In de loop der tijd werd het steeds zeldzamer dat een golfbaan aangelegd mocht worden in de duinen of heidegebieden, maar de vraag naar golfbanen nam nog steeds toe. Zo moest men uitwijken naar gebieden die eigenlijk minder geschikt zijn: landbouwgrond en polders. Het verwerken van regenwater is daar een uitdaging. De kunst is om de holes op te hogen en de fairways en greens zo zanderig mogelijk te maken. Maar voor het ophogen van een fairway heb je grond nodig en het is een dure grap dat met vrachtwagens van buitenaf aan te voeren. Golfbaanarchitecten en aannemers hebben daar iets slims op bedacht: grote waterpartijen graven. Je hebt dan in één klap vijvers waar het regenwater naartoe kan, waterreservoirs voor irrigatie van de golfbaan én grond waarmee je greens, tees, fairways en roughgebieden kunt ophogen en onduleren. Dan nog is er meer zand nodig om droge tees, greens en fairways te garanderen, maar in elk geval heb je de ophoging van het terrein al voor elkaar met een gesloten grondbalans zoals dat heet. Zo kwam er in de loop der tijd steeds meer water op golfbanen en tegelijk raakte water als hindernis populair bij architecten. Waterpartijen maken een hole niet alleen fotogenieker, ze stellen ontwerpers ook in staat sterke heroïsche holes te ontwerpen. Dat zijn holes waarbij een speler met één heldhaftige (afsnijdende) slag een enorme afstand overwint, wat in het algemeen leidt tot birdies en eagles (maar als het mislukt tot bogeys en erger). Een goed voorbeeld is de korte par 4 10de hole van de Brabazon Course van The Belfry (1977): voor sommige spelers is de green vanaf de afslagplaats te halen maar dan moet de bal wel ver en recht geslagen worden: net over de waterpartij die voor de green ligt.

Dure grap

Een aantal mooie of moeilijke waterholes per ronde, dat vindt iedereen spannend. Het leidt tot spektakel, zowel bij recreatiespelers als in de grote toernooien voor de professionals. Amen Corner op Augusta National levert elk jaar televisiedrama op en zonder de Barry Burn op Carnoustie hadden we nooit de adembenemende tragedie van Jean van de Velde meegemaakt. (De Fransman verslikte zich op weg naar een overwinning in het Brits Open van 1999 in het stroompje op de slothole.) Maar je zou wel kunnen zeggen dat de moderne architecten een beetje zijn doorgeslagen. Te veel water op een baan, daar doe je golfers geen plezier mee. Water werkt immers als een magneet, zeker als je nog niet zo bedreven bent in het spelletje. Een ongeschreven regel in de moderne golfbaanarchitectuur is dat een speler op hooguit een derde van de holes met water heeft te maken, maar niet elke ontwerper houdt zich daaraan… En een andere ongeschreven regel wordt ook niet altijd opgevolgd: een architect moet voor minder goede golfers genoeg ruimte op een waterhole creëren zodat zij met een ruime omweg om het water heen kunnen spelen. Een bal in het water betekent immers niet alleen een strafslag (tenzij je de bal nog kunt spelen), het is ook kostbaar. Wie in het water slaat, is meestal zijn bal kwijt en als je zo’n vijf golfballen per negen holes verliest – we kennen genoeg spelers bij wie dat gebeurt – dan is dat best een dure grap.

Overdaad schaadt

Beginners moeten soms meteen op de eerste afslag over water slaan, een hindernis die de betere golfers niet eens meer opmerken. Waarom water vlakbij de afslagplaats als je daarmee alleen beginners pest? We pleiten daarom voor iets meer water als decor en iets minder als hindernis. Het is leuker een bunker te omzeilen of te overmeesteren, of bulten en dalletjes rondom de greens. Want een geslaagde herstelslag geeft enorm veel voldoening. En mocht zo’n slag mislukken, dan vind je in elk geval je bal terug. Maar ook voor bunkers geldt: met mate. Veel van de beste holes op de wereld hebben maar één bunker; de minder goede golfers kunnen die omzeilen, de betere golfers moeten de hindernis trotseren om laag te scoren. Kortom, te veel is nooit goed, ook niet in de golfbaanarchitectuur. Veel water en bunkers maken golf niet leuker. Een goed geplaatste bunker en waterpartij wel!
  • Paginadatum 15 april 2019
  • Auteur Redactie GOLF.NL