Om te begrijpen wat zero-torque is, moet je eerst weten hoe traditionele putters zijn gebouwd. Raymond Scheffer laat het zien in zijn Putting Control-studio: “Zie de putterkop als een voet, met een hiel en een teen. Leg je zo’n putter op je hand, dan zie je vaak dat de teen naar beneden hangt. Dat noemen we toe-hang”, legt hij uit.
Niet elke putter die zero-torque wordt genoemd, is dat ook echt
Toe-hang bestaat in allerlei gradaties. Van minimale toe-hang tot putters waarbij de teen duidelijk naar beneden wijst. Daarnaast zijn er face-balanced putters, waarbij het slagvlak recht omhoog wijst. Die indeling – toe-hang of face-balanced – vormt al jaren de basis van putterfitting.
Zero-torque putters doorbreken dat klassieke denken. Het idee: een putter die je zo min mogelijk ‘stuurt’. Waar een toe-hang putter altijd terug wil naar zijn eigen balanspunt, probeert een zero-torque putter dat juist níét te doen. Raymond: “Bij een traditionele putter heeft de kop altijd een voorkeur. Die beïnvloedt je handen. Een zero-torque putter doet dat veel minder – of zelfs helemaal niet.”
Simpel gezegd zijn zero-torque putters zo ontworpen dat het clubblad haaks op de doellijn blijft - dus niet opent of sluit - door het zwaartepunt direct onder de shaft-as te plaatsen zodat het clubhoofd niet wil draaien. Ingewikkeld? Bekijk deze video waarin Raymond het uitlegt:
*Bekijk onderaan dit artikel de lange video (22 minuten) van het gesprek met Raymond Scheffer over zero-torque putters.De term zorgt ook voor verwarring, want niet elke putter die zero-torque wordt genoemd, is dat ook echt. Raymond maakt onderscheid tussen:
“Als je een putter neerlegt en hij komt altijd weer in dezelfde stand terug, dan heeft hij nog steeds een balansvoorkeur. Dat is niet zuiver zero-torque,” legt hij uit. Bij echte zero-torque putters blijft de kop staan zoals je hem neerlegt. Of hij nu schuin, recht of dwars ligt: hij ‘trekt’ niet aan je polsen en stuurt je beweging niet.
Veel golfers omschrijven zero-torque putters als stabieler. Volgens Raymond klopt dat gevoel, maar moet je dat woord wel goed begrijpen. “Stabiliteit is geen eigenschap op zich. Een putter is pas stabiel als hij bij jouw beweging past.”
Zero-torque putters maken putten niet automatisch makkelijker
Wat zero-torque putters wél doen, is de foutmarge verkleinen. Ze corrigeren je beweging niet actief, maar ze vergroten ook geen fouten. Daardoor voelt de zwaaibaan rustiger en voorspelbaarder, zeker bij golfers die last hebben van een ‘zwabberende’ putterkop.
Belangrijk: zero-torque is geen wondermiddel. Raymond stuurt golfers niet automatisch deze kant op. Zijn aanpak:
“Als iemand met een toe-hang putter de bal herhaaldelijk perfect square (lees: met het clubblad haaks op het doel) kan raken, is mijn werk daar eigenlijk al klaar”, zegt hij.
Toch ziet Scheffer een duidelijke verschuiving. Waar vroeger vrijwel iedereen met traditionele toe-hang putters speelde, ziet hij nu in fittings grofweg een 60/40-verhouding: z60 procent traditioneel, 40 procent zero-torque.
“Het hele verhaal rondom toe-flow, toe-hang of torque – hoe je het ook noemt – speelt een grote rol in hoe wij putters ontwerpen”, zegt Austie Rollinson van Scotty Cameron. Hij verwijst daarmee naar het verschijnsel dat veel putters wanneer je ze met de shaft op de rand van een tafel balanceert (zie video) met de teen naar beneden hangen of juist recht omhoog blijven staan (face balanced).
Die balans bepaalt hoeveel de putter tijdens de stroke vanzelf wil roteren. Bij traditionele putters betekent dat dat spelers in hun puttingstroke bewust of onbewust een bepaalde mate van ‘release’ hebben aangeleerd om het blad op impact weer recht te krijgen. Dat gevoel hoort voor veel golfers bij hun putter.
Als je dat rotatie-element wegneemt, dan neem je óók een stuk gevoel weg voor sommige spelers
“Maar als je dat rotatie-element wegneemt,” vervolgt Rollinson, “dan neem je óók een stuk gevoel weg voor sommige spelers.” Zero-torque is volgens Rollinson daarom niet voor alle golfers. Tegelijkertijd merkt hij op dat er ook golfers zijn bij wie het gevoel dat ze denken te hebben met een putter helemaal niet past bij wat hun stroke daadwerkelijk doet. Dat zorgt voor twijfel en daardoor voor meer variatie in hun putts.
“Als je zo’n speler een putter geeft die die onzekerheid wegneemt – bijvoorbeeld doordat het blad veel stabieler blijft en minder wil draaien – dan groeit het vertrouwen. En meer vertrouwen betekent vaak ook consistenter putten.”
Kort samengevat: zero-torque putters nemen de neiging van het blad om te draaien grotendeels weg. Het betekent niet geen gevoel of geen krachten, maar krachten op een andere plek. Voor sommige golfers voelt dat onnatuurlijk, maar voor anderen haalt het juist twijfel weg uit hun stroke en zorgt het voor vertrouwen.
Er is nog geen grootschalig wetenschappelijk onderzoek dat aantoont dat zero-torque putters automatisch betere putters opleveren. Raymond is daar eerlijk over. “Als iemand dat onderzoek heeft gezien, stuur het mij alsjeblieft. Ik vind het razend interessant."
In tien jaar tijd analyseerde hij duizenden golfers. En daar ziet hij patronen: golfers die moeite hebben met controle in de zwaaibaan, of die veel moeten ‘manipuleren’ met hun handen, lijken vaker baat te hebben bij zero-torque.
Volgens Raymond is zero-torque geen tijdelijke trend. Wel verwacht hij dat de terminologie scherper wordt. Niet alles kan straks nog onder dezelfde noemer verkocht worden. “De consument wordt slimmer. Dan moet je als merk ook eerlijker zijn over wat je putter wel en niet doet.” Dit verklaart waarom steeds meer merken nu hun eigen interpretatie brengen: van zuivere zero-torque tot combinaties met swing-balance, shaft-stabiliteit en gripdikte.
Interessant genoeg ziet Raymond nóg een grotere verschuiving in putten: niet zozeer in het materiaal, maar in de techniek. Minder pendule en meer focus op energieoverdracht rond impact. Dus meer een tikkende beweging waarbij de doorzwaai korter is. Zero-torque putters sluiten daar goed op aan. “De putterkop is één. De shaft is twee. De grip is drie. Alles moet kloppen.”
Concluderend, zero-torque putters maken putten niet automatisch makkelijker. Maar ze kunnen wel rust brengen, foutmarges verkleinen en manipulatie verminderen – mits ze bij jouw beweging passen. Geen magie, geen hype, maar een serieuze nieuwe categorie die blijvend is.
Wat vinden wij?Volgens cijfers van sommige retailers vertegenwoordigt de zero-torque categorie nu zo'n 40 procent van de nieuwe putters die ze verkopen. Ontegenzeggelijk zijn de putters (klik hier voor een overzicht) een van de grootste golfmateriaaltrends van het afgelopen decennium. Zero-torque heeft de puttercategorie nieuw leven ingeblazen en daar zijn merken en putterfitters als Scheffer heel blij mee: aandacht voor putten en putters. De overstap van een paar tourspelers (Lucas Glover en Adam Scott) zorgde voor interesse bij de consument en dankzij LAB Golf kreeg het vaart. Het logisch verstand leert ons dat als zero-torque putters het putten veel makkelijker zouden maken, er meer topspelers mee zouden spelen. JJ Spaun won er het US Open mee en Collin Morikawa (#16 OWGR) stapte recent over op een zero-torque model, maar een klein whats in the bag-onderzoekje leert ons dat van de top-10 van de wereldranglijst alleen Spaun er een in de tas heeft. Sluitend wetenschappelijk bewijs dat we er allemaal beter mee zouden putten is er ook nog niet. Dat betekent niet dat het niet werkt, maar zero-torque is (nog) niet de aardverschuiving zoals de Titleist Pro V1 die in 2000 veroorzaakte. Dat kan echter snel veranderen omdat de grote merken de afgelopen jaren ook hun eigen kijk op de zero-torque trend lanceerden. Denk dan aan merken als Scotty Cameron, TaylorMade en Odyssey, die veel spelers onder contract hebben. Putten blijft een onderdeel waar gevoel een belangrijke rol speelt, en wennen aan een nieuw gevoel heeft tijd nodig. En zoals altijd geldt: pas na een grondige test weet je of het ook iets voor jou is. |
Bekijk de hele video van het bezoek aan Putting Control: