Het is eerst tijd voor oprechte excuses aan alle Pitch & Putt-fanaten van Nederland. Vorige winter heb ik mij ietwat laatdunkend uitgelaten over deze variant, die ik omschreef als het ‘Madurodam van de golfsport’.
Het regende boze reacties.
Aanvankelijk haalde ik daar mijn schouders over op (ik vond die typering zelf eigenlijk best geslaagd), maar anderhalf jaar later moet ik mijn mening toch herzien.
Want als er één onderdeel is waar veel winst te behalen valt voor mij, dan is het wel het korte spel. Op naar de Pitch & Putt-baan dus!
Als sportief tegenwicht voor een vorstelijke barbecue strijk ik met een paar maten neer bij Shortgolf Twente (holes tussen de 30 en 60 meter). Bas, Bas en Nick (rechts) zijn geen van drieën golfers; ik kan dus alleen maar verliezen in dit goede gezelschap. En dat wordt me uiteraard meermaals vakkundig ingewreven.
Het ‘ontspannen uitje’ in Tubbergen gaat voor mij gepaard met de vuurdoop van mijn nieuwe wedges, die ik ter plekke nota bene nog uit het cellofaantje moet peuteren.
Na een paar ballen ingeslagen te hebben, mag ik het goede voorbeeld geven op hole 1, die slechts 37 meter telt. “Laat maar zien!”, klinkt het achter mijn rug in koor.
Oh, wat zullen ze me graag zien falen, schiet het door mijn hoofd.
Uit liefde voor mijn nieuwe wedges laat ik de keiharde zwarte afslagplaat (wat moet dit in vredesnaam voorstellen?) links liggen en sla ik af vanaf het gras. En ja hoor, meteen toon ik aan waarom ik zoveel moeite heb met dit soort slagen: veel te kort!
Maar eerst is het tijd voor weer een 18-holesronde (vanaf blauw). De eerste sinds het debacle op De Kroonprins, waar mijn volledige golfuitrusting ter water raakte.
Wijselijk kies ik ditmaal voor bekend terrein: ‘t Sybrook, de dichtstbijzijnde golfbaan voor mij. Ik speel Oost/Noord (par-72), opnieuw met mijn broertje Jesper aan mijn zijde. Maar waar hij op De Kroonprins de ronde van zijn leven speelde (93 vanaf blauw) en mij op alle fronten aftroefde, ben ik hem deze zonovergoten donderdag duidelijk de baas. Het kan verkeren.
46 slagen na de eerste negen, met een knappe parputt in het zicht van een vol terras als fijne afsluiter. “Breaking 100, dat moet toch lukken…”, fluister ik in mezelf, terwijl we het parkeerterrein oversteken op weg naar de lastige Noord-lus (veel bomen en veel water).
Al snel is het gedaan met mijn goede spel, ik kak volledig in vanaf hole 14 en na een triple bogey op de par 5 17de vraag ik me hardop af of mijn doel überhaupt nog in zicht is.
“Even uitrekenen”, zeg ik tegen Jesper, terwijl we aankomen bij de slothole. “Doe dat nou niet!”, waarschuwt hij. “Dat gaat alleen maar tussen je oren zitten en je gaat er echt niet beter van golfen.”
Toch kan ik het niet laten. “Het kan nog”, constateer ik. “Maar dan heb ik wel een birdie nodig…” Jesper begint te lachen: “Succes”, klinkt het opbeurend na de uiterst moeizame reeks holes.
Waar ik op de eerste negen heel behoorlijk voor de dag kwam met mijn wedges, lieten ze me in het vervolg in de steek. Vooral een aantal te korte approaches resulteerden in veel onnodige extra slagen.
Maar als ik de driver uit de tas haal voor een ferme klap op hole 18, schud ik alles van me af. Hij vliegt ver, maar de bal buigt op het laatst af naar links. Gelukkig, ik word gered door een boom, die mijn bal in de bunker laat landen. Met wat moeite krijg ik ‘m eruit.
Je bent zo goed als je laatste slag. Laten we het daar maar op houden!
En dan treedt de berusting toe. Nog 50 meter tot de vlag. Ik haal mijn schouders op. “Deze pitch moet er dus in”, roep ik naar Jesper, die al naar zijn bal in de rough rechts achter de green is gesneld.
Ik heb niets meer te verliezen. Voor het eerst die dag swing ik zonder enige gedachte.
Paf, het contact is perfect. De bal vertrekt precies op lijn. Ik zie ‘m met een mooi boogje richting de vlag vliegen. Eén stuit, twee stuiten… en dan verdwijnt-ie.
Pitch-in birdie. 99. Breaking 100.
“WATTT!?” Ik sla de handen voor mijn ogen en laat mijn gapwedge vallen. Vervolgens ren ik schreeuwend van vreugde naar Jesper, die ook vol ongeloof mijn kant op komt rennen.
Had hij het maar gefilmd. Dat is dan weer jammer… denk ik terwijl ik de ultieme climax even later nog eens dunnetjes herbeleef:
Er klinkt zelfs applaus van drie mannen als we de baan aflopen. Mijn vreugde-explosie is kennelijk niet onopgemerkt gebleven. “De rest van de ronde ging wat minder zeker?”, knipoogt een van hen. “Was dat eruit af te lezen?”, reageer ik lachend. “Ach, je bent zo goed als je laatste slag. Laten we het daar maar op houden!”
Jesper en ik proosten op het terras en ik vink ondertussen weer twee subdoelen af: 9 holes zonder triple bogey (op de eerste negen) en een chip-in (bij gebrek aan een pitch-in op mijn challengekaart).
Ik nip voldaan van mijn blond biertje. Dit is waar je het allemaal voor doet, besef ik. Deze sport kan je gek maken van frustraties, maar daardoor ook hemelhoog laten juichen op momenten als deze.
Pure adrenaline. Kortstondige perfectie. Gelukzaligheid.
Maar we gaan weer door. Een paar dagen later sta ik op de oefenholes van De Twentsche. Geen druk, geen scorekaart, gewoon oefenen. De bal neerleggen waar je maar wilt. 30 meter, 80 meter, 10 meter. Ik werk het hele palet in volle concentratie af.
Vervolgens speel ik een keurig rondje van 30 slagen (3 boven par, holes tussen de 30 en 100 meter) en doe ik een belangrijk inzicht op: ik moet de club voor me houden en mijn slag afmaken. Soms schieten oude fouten er toch weer in.
Het klinkt simpel, maar juist bij korte slagen heb ik de neiging om de beweging af te breken en de club te vroeg naar de bal te brengen. Met de juiste swingvolgorde (zie ook de instructie hieronder) voelt het contact bovendien meteen een stuk beter.
Ik ben hongerig naar meer. Het is tijd voor het hoofdmaal: Breaking 100 vanaf geel. Tijd om die grens te verslinden.
Wil je reageren of heb je tips voor mijn doel 'Breaking 100'? Mail dan naar roy.heethaar@golf.nl.